Home

58. Het noodzakelijke einde van het neoliberalisme

Dat de steun voor de mondialisering in de EU en de VS wegebt, is niet ondenkbaar. Mondialisering is immers geen vanzelfsprekendheid maar een politieke keuze. En keuzes kunnen ongedaan gemaakt worden. In het verleden is ooit al eens een mondialiseringsgolf teruggeschroefd. Tussen 1850 en 1914 maakte de wereld een even intense periode van mondialisering door: handel en buitenlandse investeringen waren toen in verhouding even belangrijk als nu. Toen politici uit allerlei landen na de Eerste Wereldoorlog probeerden terug aan te knopen bij de mondialisering, lukte dat maar niet. Jeffry Frieden schreef daar onlangs een boeiend boek over(42). Volgens hem waren er politiek-sociale redenen waarom het maar niet lukte om na de Eerste Wereldoorlog de mondialisering opnieuw stabiel op de rails te krijgen.

We vinden zijn analyse voldoende relevant voor het heden om er hier wat dieper op in te gaan. Voor 1914 reageerden landen op de ‘stroom' die de mondialisering op hun samenleving zette, door prijzen en lonen tien, twintig of dertig percent te verlagen als dat nodig was om concurrentieel te blijven. Dat kon toen makkelijk omdat hun economieën vooral uit kleine ondernemingen bestonden, die geen prijszetters maar prijsnemers waren. En omdat de arbeiders niet georganiseerd waren: vakbonden werden onderdrukt en/of stonden nog zwak. Bovendien waren er haast geen echte democratieën. In de meeste Europese landen hadden alleen de elites stemrecht. Dus konden regeringen die keiharde aanpassingen opleggen zonder dat ze weggestemd werden. Na de Eerste Wereldoorlog veranderde dat allemaal. In ruil voor het weer inleveren van de wapens kreeg het volk, vooral de mannen, algemeen enkelvoudig stemrecht. Er kwamen sterkere vakbonden en grote ondernemingen, en die waren niet langer bereid als jojo's te reageren op de grillen van de internationale economie. Daardoor stokte het hele mecanisme en werden in allerlei landen verschillende oplossingen van economisch nationalisme ontwikkeld. Zowel de communistische als de fascistische varianten hielden een relatieve economische isolatie en afscherming tegenover het buitenland in. Dat werkte een tijdlang redelijk maar we weten allemaal hoe die verhalen uiteindelijk zijn afgelopen. De les was zeker dat er grote waarde schuilt in uitwisseling en interactie met andere volkeren en economieën, zowel vanuit democratisch als vanuit economisch standpunt. Daarom bleken de sociaaldemocratische oplossingen die in de VS en Scandinavië werden ontwikkeld, superieur. Dat waren gemengde modellen die een zekere economische openheid combineerden met de mogelijkheid om een eigen sociaal beleid te voeren. Die aanpak domineerde in de rijke westerse landen tussen 1945 en 1975. Dat was een periode van grote economische groei die bovendien redelijk rechtvaardig verdeeld werd: overal steeg het arbeidsdeel en daalde de inkomensongelijkheid.

Toen dat gemengde model werd weggegooid tijdens de neoliberale golf van de jaren tachtig en negentig, kon de oude historicus Eric Hobsbawm, die het allemaal in levende lijve had meegemaakt, zijn ogen niet geloven. ‘Diegenen onder ons die de Grote Depressie van de jaren dertig hebben meegemaakt, kunnen nauwelijks begrijpen waarom de principes van de totaal vrije markt, die zo duidelijk in diskrediet waren geraakt, opnieuw de kop opstaken tijdens een wereldwijde depressie in de jaren tachtig en begin van de jaren negentig. Dat eigenaardige verschijnsel is eens te meer een voorbeeld van de voornaamste karaktertrek van de geschiedenis: het ongelooflijk beperkte geheugen van zowel theoretische als praktische economen.' (43)
En zie, we zijn amper 15 jaar verder en Hobsbawms woorden klinken almaar luider: het besef dat er iets moet veranderen, vindt meer en meer ingang. Vooral de toenemende ongelijkheid en het krimpende arbeidsdeel baart zorgen. Ben Bernanke, de voorzitter van de Amerikaanse Centrale Bank, wees op de almaar toenemende inkomensongelijkheid, en pleitte voor een betere toegang tot het onderwijs voor allen en een betere sociale bescherming.(44) Peer Steinbrück, de Duitse minister van Financiën, zei als reactie daarop dat de ondernemingen een groter deel van hun winst aan de werkers moeten geven indien ze willen voorkomen dat het Europese economische model in een geloofwaardigheidscrisis belandt. Joaquin Almunia, Europees commissaris voor geldzaken, vond het niet toekennen aan de werkers van hun deel van de productiviteit ‘een positie die niet vol te houden is'.(45)
Hoe hard die heren dat allemaal menen, zal nog moeten blijken maar ten gronde zijn er verschillende basishoudingen. De liberale verdedigers van mondialisering zoals je die vindt in sommige bedrijfskringen of in bladen als The Economist willen een gematigd en gemengd liberalisme redden door het harde neoliberalisme te bestrijden. Dat is ook een beetje de weg die de Belgische liberaal Guy Verhofstadt persoonlijk heeft afgelegd: halverwege de jaren negentig pleitte zijn partij nog voor de totale privatisering van de sociale zekerheid. Tijdens de acht jaar dat hij premier was, raakte hij evenwel met geen vinger aan het Belgische model van sociale bescherming met zijn unieke mix van overheidsregulering en privaat initiatief.  
Begin dit jaar zette The Economist op een rijtje wat er moet gebeuren om de impact van mondialisering te verzachten. ‘Het doel moet zijn mensen te helpen om van job te veranderen naarmate de comparatieve voordelen zich snel van de ene sector naar de andere verplaatsen... Dat betekent een onderwijssysteem dat mensen algemene vaardigheden geeft die hen mobiel maken. Het betekent een gezondheidszorg en pensioenen die losgekoppeld zijn van tewerkstelling. En voor wie zijn job verliest om welke reden dan ook, betekent het hulp ophoesten: genereuze opleidingen en een actief beleid om hen opnieuw aan werk te helpen.'(46)
Het mag allemaal wat geld kosten - ja zelfs van het ondraaglijkse B-woord belastingen is men niet langer vies - om de samenleving te beschermen tegen de impact van de mondialisering. Een beetje herverdelen om de mondialisering te redden. De basislijn blijft wel dat landen zich moeten aanpassen aan de mondialisering. En niet omgekeerd. Er is geen andere mondialisering nodig, nee, landen moet zich anders gedragen in die mondialisering en proberen om de sociale gevolgen ervan te verzachten. Voorlopig is die strekking nog in de meerderheid.
Offensiever is de lijn van de schaarse andersglobalistische sociaaldemocraten, socialisten en democraten tout court die het recht opeisen van gemeenschappen om zelf in belangrijke mate te bepalen hoe ze hun samenleving inrichten, bijvoorbeeld hoeveel ongelijkheid ze tolereren. Mondialisering is een kracht die dat zelfbepalingsrecht ondergraaft. De democratie die zich altijd op een bepaalde plaats bevindt, dreigt door dat ongrijpbare mondiale proces uitgehold te worden. Wat baat het om te gaan kiezen als de mensen die je verkiest op zulke belangrijke zaken als gelijkheid versus ongelijkheid hun invloed dreigen te verliezen? Het evenwicht tussen openheid en zelfbepaling dat de sociaaldemocratieën na de tweede wereldoorlog hadden gevonden, is door de mondialisering verbroken. Zij vinden dan ook dat de aanpassing niet uitsluitend moet komen van het nationale niveau maar dat er ook op internationaal niveau aanpassingen moeten gebeuren zoals afspraken over belastingen, sociale regels en milieuregels, en desnoods een status-quo in de vrijmaking van de wereldhandel.
Welke weg je ook bewandelt, deze bijsturing houdt onvermijdelijk de stille dood van het neoliberalisme in. Wat is immers het verstandige in deze situatie? De nadelen van de mondialisering zo verzachten dat de voordelen ervan min of meer behouden kunnen blijven. En hoe je dat ook draait of wendt, het zal de overheid zijn die voor die bijsturing moet zorgen, ofwel op het nationale, ofwel op het internationale niveau. Met markten en alleen maar markten - toch het adagio van het neoliberalisme - kom je er niet. Een betere verdeling van inkomens en kansen is noodzakelijk. Die cruciale en onmisbare rol van de overheid om het mondialiseringsproject overeind te houden, strookt voor mij niet met de neoliberale ideologie en zijn onmiskenbare dédain voor de rol van de overheid. Er zijn overigens heel wat tekenen dat de drie recepten van het neoliberalisme - privatisering, deregulering en liberalisering - niet de antwoorden kunnen geven op de sociale en ecologische vragen waar we nu voor staan. Dat correctieproces is nu al - met veel vallen en opstaan - bezig. Op allerlei plaatsen.

 

China, India  en de anderen...

Laten we terugkeren naar India en China. Ook daar is immers de ongelijkheid hand over hand toegenomen. De Wereldbank heeft sinds zijn ontstaan in geen enkel land een zo snelle toename van de ongelijkheid gemeten als in China. ‘De toename van de Gini-coëfficiënt, een indicator van ongelijkheid, van 20 in 1985 naar 42 in 1993 is de snelste van alle landen', lezen we in de landenanalyse van de Wereldbank.(47) In 1980 verdiende de 10% hoogste inkomens iets minder dan 20% van het nationaal inkomen. Tegen 2005 was dat al 45%. (48) De laatste drie jaar nam het verschil tussen de hoogste 20% inkomens en de laagste 20% zowel in de steden als op het platteland met 40% toe! (49)
Toegegeven, het had er zeker mee te maken dat China vertrok van de extreem hoge inkomensgelijkheid uit de Mao-periode maar toch. De verhalen van de Chinese miljonairs die, nog half lid van de communistische partij, goed geplaatst zijn om fortuin te vergaren door de regels te overtreden, zijn genoegzaam bekend. Daar staat tegenover dat de armsten in China amper of niet mee profiteren van de economische groei. Tussen 2001 en 2003 groeide de Chinese economie elk jaar met 10%. In diezelfde periode zakte het gemiddelde inkomen van de 10% armste Chinezen met 2.5%, zo bleek uit een analyse van de Wereldbank.(50) Dat onderzoek weerlegt de stelling dat groei alleen volstaat om de armoede te bestrijden.
Ook India kan hoge groeicijfers voorleggen, zij het iets minder dan China, maar de ongelijkheid is er zo mogelijk nog groter. Ondanks de boom van de Indiase informaticasector die heeft geleid tot 1.3 miljoen directe banen en 3 miljoen indirecte banen - peanuts in een land met meer dan 1 miljard mensen - leeft 40% van 's werelds armen en een derde van de ondervoede kinderen in India. De gedreven Zwitserse professor Jean Ziegler stelde in een VN-rapport voor de Algemene Vergadering van de VN in september 2006 vast dat honger en armoede er vandaag grotere problemen zijn dan in de jaren negentig. En dat de kloof tussen de armen en de middenklasse van een paar honderd miljoen mensen, groter wordt.
Die kloof bleek ook bij de laatste nationale verkiezingen. De BJP-regering, fier op haar groeicijfers, trok de campagne in met als slogan ‘Shining India'. Voor iedere niet-Indiër zou zulke slogan sowieso wenkbrauwen hebben doen fronsen, want de armoede druipt in India als vanouds gewoon van de straten en muren. Blijkbaar vonden de meeste Indiërs hun land ook niet zo ‘schitterend' want ze stemden de BJP-regering weg. Ze brachten een centrumlinkse regeringscoalitie onder leiding van de Congrespartij aan de macht, die elk plattelandsgezin 100 dagen werk per jaar aan een minimumloon (van 1,5 euro per dag) beloofde. De Belgische economist Jean Drèze tekende het project vooraf uit: het programma zou, eenmaal op kruissnelheid, tot 1,3% van India's nationaal inkomen kosten. De Indiërs lusten er duidelijk pap van, ook al is het een hoofdzonde tegenover alles wat de neoliberalen ons de voorbije 20 jaar hebben geleerd. De staat die de arme mensen werk geeft, met belastingen op het inkomen van rijke mensen. Hoe verkeerd kun je zijn? Toch is dit waar de Indiërs voor kozen. Een betere verdeling van de groeiende rijkdom is er een grote uitdaging en men gaat die uitdaging te lijf op een zeer rechtstreekse manier. Of het allemaal zal lukken, moet nog blijken. De weerstanden zijn niet minnetjes.
China lijkt dezelfde weg op te gaan, althans dat beweren de leiders. De arme Chinezen kunnen weliswaar hun regering niet wegstemmen maar ze laten door tienduizenden protesten per jaar wel voelen dat ze het moeilijk hebben met de ongelijkheid die hun land zo kenmerkt. Het gevolg is dat de Chinese regering de komende jaren, ja zelfs decennia, in het teken van de Harmonieuze Samenleving heeft geplaatst. Harmonie tussen economie en natuur - de milieuproblemen in China zijn gigantisch - en harmonie tussen de mensen. Dat laatste betekent werken aan de kloof tussen rijk en arm, en de opbouw van een betere sociale bescherming in het hele land. De regering heeft beslist meer geld uit te trekken voor onderwijs en gezondheidszorg op het platteland. China is immers tijdens zijn economische opgang een Drieklovenland geworden: met inkomenskloven tussen stad en platteland, tussen kust en binnenland, en tussen arbeiders en kapitalisten. En als die kloof te groot wordt, zo weten de leiders, dan zouden ze wel eens hun ‘Mandaat van de Hemel' kunnen verliezen.
In 2007 beloofde premier Wen Jiabao het onderwijs- en gezondheidsbudget dramatisch te verhogen. In 2006 al beloofde hij dat de komende vijf jaar 33 miljard euro zal worden geïnvesteerd in de verbetering van de levensvoorwaarden op het platteland. Dat soort beloften werd al eerder gedaan maar de marsrichting is duidelijk.  In China is de herverdeling van rijkdom eigenlijk een grotere uitdaging geworden dan de productie van rijkdom. De ‘Ijzeren Machine van BNI-Groei' is haast niet te stuiten. De regering probeert al jaren vergeefs om die groei wat te beperken. Herverdeling van inkomen en strijd tegen milieuvervuiling zijn daarentegen veel moeilijker om te realiseren. De Chinese middenklasse staat immers niet te springen om belastingen te betalen. En de verlichte elite in Zhongnanhai, het deel van de Verboden Stad waar de partijtop woont, mag dan door hebben dat milieuzorg cruciaal is, daarmee weten die honderdduizenden lokale partijkaders dat nog niet. Zeker niet als die zelf beter worden van het laten voortwerken van vervuilende nijverheden.
Maar nu lijkt de partijtop een tandje bij te willen steken om een ommekeer te realiseren. Op 15 maart 2007 zei niemand minder dan premier Wen Jiabao in ongebruikelijk klare taal dat het zo niet verder kon. Hij noemde de huidige ontwikkeling onhoudbaar. Daarmee doelde hij op het dubbele gevaar van milieuverloedering als de aanhoudende spanningen rond de ongelijke inkomensverdeling.(51)
Dat heeft al meteen geleid tot opmerkelijke beslissingen. Begin maart besliste het Chinese parlement om de fiscale bevoordeling van buitenlandse bedrijven stop te zetten: voortaan zullen buitenlandse bedrijven, net als de Chinese, een belasting van 25% betalen op hun winst, terwijl dat voorheen maar 15% was. Daarmee ligt de vennootschapsbelasting in China ongeveer even hoog als in België.
Voorts werd in juni 2007 ook de nieuwe wet op de arbeidscontracten aangenomen die eigenlijk, op zijn Chinees, de kwadratuur van de cirkel moet zien te realiseren: de positie van de werkers tegenover de werkgevers verbeteren zonder onafhankelijke vakbonden toe te laten. We gaan daar straks verder op in.
Om de druk op het milieu te verzachten, wil de Chinese regering voortaan minder industrie en meer diensten in de Chinese economie. Daarom zal ze kariger zijn met vergunningen voor industriële projecten. Om de razende exportgroei af te remmen en een toenemende roep om protectionisme in de rijke landen te voorkomen, wil de Chinese regering ook de plaatselijke consumptie verhogen. Die ligt nu, met 35% van het BNI, extreem laag. Vergelijk: in de VS ligt dat cijfer op 70%. De Chinezen moeten dus minder gaan sparen. Dat zal alleen gebeuren als ze zich zekerder voelen: meer inkomen en betere sociale bescherming zijn daartoe een voorwaarde. (52)
Wellicht is de politieke bocht nog het duidelijkst in Zuid-Amerika. Dat subcontinent, ooit onder voogdij van het IMF en de Wereldbank het proefterrein bij uitstek van het neoliberalisme, wordt nu grotendeels geleid door linkse en centrumlinkse politici die elk op hun manier proberen om de rijkdom beter te verdelen. Sommigen wagen zich daarbij aan ‘oubollige' nationalisaties (Venezuela, Bolivië). Anderen bewandelen meer gematigde paden maar het doel blijft dat de staat ervoor moet zorgen dat de rijkdom evenwichtiger verdeeld wordt zodat ook de armen meer kunnen genieten van de economische groei. De Venezolaanse president Hugo Chavez gaat het daarin verst: hij gebruikt de opbrengst van de olie voor allerlei sociale doelen.  Vraag is daarbij wat er gebeurt indien de olieprijzen serieus zouden dalen? De Venezolaanse staat neemt meer en meer op allerlei manieren de economie in handen. Dat gebeurt met instemming van de bevolking want Chavez is meermaals verkozen door een duidelijke meerderheid van de Venezolanen. Toch leert de geschiedenis dat hij zich het voorbije jaar op een riskant pad waagt door het parlement en media meer en meer monddood te maken. Tegenspraak en kritiek zijn een waarborg tegen ontsporingen.
Afrika is het continent waar het minst kentering merkbaar is. De economische groei is er sowieso al minder hoog dan in Azië en Latijns-Amerika, zeker als je rekening houdt met het feit dat bevolking precies daar het snelst groeit. De economische groei steunt in Afrika bovendien in belangrijke mate op de hogere grondstoffenprijzen en het is hoogst onzeker of die hogere inkomsten overal ten goede zullen komen van de bevolking. De verklaring hiervoor ligt voor een groot deel in het bestuur: sommige Afrikaanse landen hebben nog amper een staat die naam waardig; anderen hebben een regering die er niet of amper aan denkt rijkdom te verdelen over het land. Congo bijvoorbeeld is zo'n land dat amper nog over een bestuur beschikt. Bovendien ziet de elite de staat er nog altijd in de eerste plaats als een middel om zelf rijk te worden. Dat blijkt uit de manier waarop 's lands leiders de voorbije tien jaar de natuurlijke rijkdommen van Congo versjacherd hebben. Zelden is er ook voor het Congolese volk eten en drinken in de bedongen mijnconcessies of bosexploitaties. De betrokken bedrijven gaven in ruil voor de al te gunstige contracten wel geld waarmee de Congolese politici hun verkiezingscampagne konden betalen. Is het niet bizar dat uitgerekend de ‘neoliberale' Wereldbank de Congolese regering haast moest verplichten om de houtbedrijven die het Congolese regenwoud ontginnen, belasting te doen betalen? Of je voert ernstige taksen in, of je krijgt geen financiël steun: zo klonk het devies van de Bank in 2005! Om een en ander kracht bij te zetten, verplichtte het Internationaal Muntfonds de Congolese regering in juli 2005 publiek te maken welke houtbedrijven die belasting hadden betaald, en welke niet.
Soedan heeft wel nog een staat maar de nieuwe olierijkdom blijft al te zeer in de hoofdstad Khartoem hangen. De weigering om ook maar iets van die rijkdom te besteden in de andere delen van Soedan, is de hoofdverklaring waarom er een burgeroorlog en genocide plaatsvindt in Darfoer. Dat zeggen mensen die langer in het land verbleven, zoals Jan Pronk, de voormalige Nederlandse minister van ontwikkelingssamenwerking en in 2005-2006 vertegenwoordiger van de VN was in Soedan.
Er zijn teveel Afrikaanse landen om ze allemaal onder één noemer te vangen. In sommige landen is er ook goed nieuws. Zeker is dat het promoten van het neoliberale adagio van de markt en niets dan de markt, in veel Afrikaanse landen amper nog iets betekent. De grootste uitdaging is er een bestuur tot stand brengen dat werkt voor de mensen. Dat dus onder andere rijkdom herverdeelt in beter onderwijs, gezondheidszorg, rechtsbedeling, wegen of spoorwegen... Dat verklaart waarom instellingen zoals het IMF en de Wereldbank die er ooit pleitten voor zo weinig mogelijk staat, en zo in een aantal gevallen de ineenstorting van de staat bespoedigd hebben, nu vooral spreken over de noodzaak van goed bestuur. En, geloof het of niet, de regeringen onder druk zetten om hun bedrijven (meer) te belasten. Natuurlijk is wel moeilijker belastingen te heffen als vele bedrijven die de Afrikaanse natuurlijke rijkdommen ontginnen, officieel gevestigd zijn op belastingparadijzen zoals de Kaaimaneilanden of de Maagdeneilanden. Als het de Wereldbank of het IMF ernst is met die belastingheffing, moeten ze deze uitwas van de mondialisering ook aanpakken. Dat betekent: meer regels en wetten voor wat je met geld en kapitaal mag doen.

 

En Europa?

Het kreeg niet bijster veel aandacht maar op 1 januari 2007 trad in de EU het globaliseringsfonds in werking. Dat fonds mag jaarlijks 500 miljoen euro besteden om de "slachtoffers van de mondialisering" bij te staan. Dat zijn mensen die hun baan verliezen door "veranderende handelspatronen" - lees: bedrijfsluiting- of afslanking omwille van buitenlandse concurrentie.
Eind juni 2007 wees de Europese Commissie de eerste schijf van het fonds, 3.8 miljoen euro, toe aan toeleveraars van de Franse autobouwers Peugeot-Citroen en Renault. Met dat geld kan de Franse regering maatregelen nemen om werkers te helpen om sneller een andere job te vinden.
Per jaar verliezen 5.7 miljoen EU-burgers hun baan. Naar schatting 570.000 van die ontslagen zijn handelsgerelateerd.(53) In de EU blijft ongeveer de helft van die mensen langer dan twee jaar werkloos, in de VS vinden mensen na zo'n ontslag sneller nieuw werk, zij het dat ongeveer 30% daarbij meer dan 30% moet inleveren van zijn vorige loon.
Het globaliseringsfonds was tot nu toe de meest expliciete erkenning door de EU dat de mondialisering slachtoffers maakt. Dat de EU eens met iets leuk kon uitpakken, had meerdere redenen. De verwerping van de Europese grondwet in Nederland en Frankrijk, bewees dat er risico's aan vasthangen als de EU altijd de zwarte piet moet spelen. Bovendien is handel een Europese bevoegdheid en dus is het nogal logisch dat diezelfde EU ook de slachtoffers van haar eigen handelsbeleid kan bijstaan.
De Brusselse denkgroep Bruegel die de Europese leiders geregeld adviseert, stelt voor dat het globaliseringsfonds mensen die hun job verliezen tot tweederde van hun eventueel loonverlies terugbetaalt gedurende twee jaar, of tussenkomt in de mobiliteitskosten (verhuis, transport) voor een nieuwe baan. De hoop is dat dergelijk programma de tegenstanders van verdere vrijmaking van de wereldhandel, de wind uit de zeilen kan nemen. Bruegel gaat ervan uit dat de groepen die het meest kwetsbaar zijn voor mondialisering doorgaans ook de sterkste lobby's tegen mondialisering hebben georganiseerd. Als deze groepen het leeuwendeel van het globaliseringsfonds ontvangen, is dat een goeie investering in het behoud van de mondialisering, zo gaat de redenering. In de VS bestaat met de zogenaamde Trade Adjustment Assistance overigens al langer een gelijkaardige aanpak die slachtoffers van handel bijstaat.
Deze aanpak sluit aan bij de eerder door Bruegel geopperde aanpak om ‘niet de jobs te beschermen maar de mensen'. Dat wil zeggen: laat de mondialisering maar tekeer gaan en die sectoren en jobs wegvegen die hier toch niet langer te behouden zijn. De samenleving moet er maar voor zorgen dat mensen na een ontslag zo grondig worden begeleid en opgeleid dat ze meteen weer aangepast worden voor banen waar wel vraag naar is. Denemarken staat daar met zijn zogenaamde flexicurity model voor maar goedkoop is het niet: het land besteedt ongeveer 1.8% van het nationaal inkomen aan dat zogenaamde actieve arbeidsmarktbeleid. (54)
In die aanpak is het ook aangewezen om, nu de kans zo groot is dat mensen hun baan verliezen, de sociale bescherming los te koppelen van werk en die te betalen uit de algemene belastingen. Zodat wie zijn baan verliest, ook niet meteen zijn sociale bescherming verliest.

Waar staan de rijke landen ten gronde voor? In de EU worden lonen maatschappelijk onderhandeld, ze zijn geen loutere functie van de marktwerking. Arbeid is hier geen koopwaar als een andere. Anders zouden hier, net als in de VS, de lonen voor laaggeschoolde werknemers met 30% gedaald zijn. En zou de inkomensongelijkheid wellicht Amerikaanse proporties aannemen.
Die maatschappelijk onderhandelde arbeidskost leidt tot sociale akkoorden, soms vertaald in heuse wettelijke bepalingen dat jobs met een bepaalde scholingsgraad tegen een minimaal nettoloon plus belastingen, plus sociale bijdragen, moeten worden vergoed.
Die keuze staat onder enige druk van de mondialisering: investeerders kunnen immers de arbeidskost in het ene land afwegen tegen die in een ander land. In de rijke Europese landen kwamen en komen daardoor vooral, maar niet alleen, lager geschoolde banen op de wip omdat door mondialisering dat soort werk elders veel goedkoper kan worden verricht. In de werkloosheidscijfers zijn laaggeschoolden inderdaad oververtegenwoordigd.
Ten gronde kan je als maatschappij op verschillende manieren op deze mondialiseringsdruk reageren. Ten eerste kan je als samenleving aanvaarden dat mensen met een lage scholing en een zekere leeftijd tegenwoordig nog moeilijk kunnen meedraaien in het arbeidsproces. Je legt je dan neer bij de uitsluiting van die mensen maar verzacht hun leed met brugpensioenen of andere vergoedingen. België heeft lange tijd massaal gekozen voor die oplossing. Dat heeft ertoe bijgedragen dat in ons land al meer dan 20 jaar tegenover 4 miljoen actieven 1 miljoen mensen met een of andere uitkering staan in de leeftijdscategorieën onder de 65 jaar. 
Die keuze komt nu meer onder druk door de aanstormende vergrijzing. Omdat er vanaf 2010 - 65 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog - almaar meer mensen op pensioen zullen gaan, dreigt de verhouding tussen actieven en niet-actieven onevenwichtig te worden. Tenzij we erin slagen om in de groep mensen onder de 65 jaar wat meer mensen aan de slag te krijgen. Dat is de reden waarom een hogere activiteitsgraad zo centraal is komen te staan in het Europese beleid. Dat brengt ons bij de twee andere mogelijke reacties die beide een hogere activiteitsgraad beogen.

De tweede reactie op de mondialiseringsdruk is dat je gaat morrelen aan die loonkosten, in de hoop dat je zo internationaal competitiever wordt. Dat kan door fiscale en parafiscale lasten te verminderen voor lager geschoolde banen, met behoud van alle sociale bescherming. (Dat betekent de facto meer herverdeling naar lagergeschoolde mensen: ze dragen immers minder bij tot de algemene belastingen en de sociale zekerheid maar behouden al hun rechten.) België hinkt hier achterop met een loonkloof van 49% - het verschil tussen loonkost en nettoloon - voor laaggeschoolden, het hoogste cijfer van de hele EU.
Een andere methode om de loonkost te verlagen, is het subsidiëren van arbeidscircuits die op een vrije markt, niet zouden leiden tot volwaardig betaalde jobs. De Belgische dienstencheques zijn daarvan een mooi voorbeeld; de uitdeinende sector van de sociale economie waar mensen werken die het zeer moeilijk hebben op de gangbare arbeidsmarkt is een andere illustratie van. Zonder overheidssteun zouden die jobs ofwel niet bestaan, ofwel in het zwarte circuit verdwijnen met lonen ver onder het minimumloon.

De derde reactie is je mensen zodanig scholen dat ze productiever worden en ze toch competitief blijven ondanks hogere loonkosten.
Daarbij past een meer offensieve aanpak waarin landen zich ontwikkelen in vernieuwende sectoren die hoge loonkosten verdragen omdat er geen landen zijn die dat soort werk veel goedkoper kunnen. Dat vergt een industrieel en technologisch beleid met een overheid die strategisch inzet op bepaalde sectoren door de bouw van de allerbeste infrastructuren, de uitbreiding van onderzoek en ontwikkeling, én de verbetering van opleiding en onderwijs.
De EU zou bijvoorbeeld kunnen proberen om dat te doen, als marktleider inzake groene technologie. Dat kan onder andere door zichzelf permanent strengere milieunormen op te leggen dan alle andere landen. Op die manier creëert de Unie zelf een markt voor nieuwe milieutechnologieën die later ook uitgevoerd kunnen worden.
Deze aanpak veronderstelt dat mensen zo goed mogelijk  worden opgeleid. We zien immers dat een land als België nog altijd heel wat vacatures niet kan invullen, zelfs op het moment dat het honderdduizenden uitkeringstrekkers heeft. Een belangrijke verklaring is dat een deel van de laaggeschoolden die oververtegenwoordigd zijn in de werkloosheidsstatistieken, niet over de vereiste vaardigheden beschikt om de openstaande banen in te vullen.
Nu zijn daar ongetwijfeld grenzen aan: het is niet omdat Vlaanderen op een bepaald moment 11.000 informatici te weinig heeft, dat je met de nodige opleidingen ook kan tegemoet komen aan die vraag. Niet iedereen heeft het in zich om kenniswerker te worden.
Dat betekent niet dat er in een land als België geen progressie meer mogelijk zou zijn inzake onderwijs en vorming. Het Belgische onderwijs levert met de beste leerlingen wereldrecords af maar het presteert barslecht met de zwakste leerlingen waarvan een niet onbelangrijk deel allochtoon is. De helft van de allochtone jongeren in Brussel maakt zijn secundair onderwijs niet af. Het investeren in opleiding voor deze moeilijk bereikbare groepen zal geld kosten maar het is noodzakelijk om nog grotere problemen in de toekomst te vermijden. Grote groepen jonge mannen zonder werk, dat is haast een synoniem voor maatschappelijke problemen.

De goede verstaander begrijpt het: mondialisering daagt samenlevingen op allerlei manieren uit en is een test voor hun bestuurskunst. Zijn de overheden van een land in staat een heldere visie op hun situatie te ontwikkelen, en vervolgens ook een antwoord daarop te ontwikkelen, en uit te voeren? Dat is geen evidente zaak. Het is wellicht geen toeval dat de Scandinavische landen die volgens allerlei maatstaven van goed bestuur, zeer goed scoren, het ook zo behoorlijk doen in hun reactie op de mondialisering. En dat landen zonder noemenswaardig bestuur, type Congo of Somalië, tot de allerarmste landen ter wereld behoren.
Zo komen zelfs de typisch Belgische problemen - of zeggen we beter probleempjes? - om de hoek kijken. Vlaamse nationalisten hebben een punt als ze erop wijzen dat groeiende verschillen tussen Vlamingen en Walen het moeilijker kunnen maken om het eens te raken over zo'n analyse en zo'n strategie. Met evenveel argumenten kan je beweren dat een krachtig bestuur ook enorm bemoeilijkt wordt door de soms onlogische versnippering van bevoegdheden waartoe de federalisering heeft geleid. Bovendien kan de rijke Belgische verscheidenheid, er juist voor zorgen dat zo'n Belgische visie en strategie, creatiever is dan de Vlaamse. Als de gewesten elkaar vinden ten minste.

John Vandaele, 3 oktober 2007

 

John Vandaele, De stille dood van het neoliberalisme, 2007, 199 p.

Klik hier om dit boek te bestellen

Voor meer info. over en bestellen van Het recht van de rijkste, het vorige boek van John Vandaele, klik hier

 

Regio's: 

Lees ook

Groei en bnp obsessies in coronatijd

De obsessie met groei springt opnieuw in het oog in de berichtgeving over de gevolgen van de coronacrisis. Samenlevingen zouden te maken krijgen met iets als ‘negatieve groei’ van hun economie.

Staat wie zoiets schrijft of uitspreekt er niet bij stil dat groei nooit negatief kan zijn? Groei betekent groter worden, toename.

In het omgekeerde geval is het afname, achteruitgang of krimp, zoals watervoorraden die afnemen, krimpend bosareaal of achteruitgang van de mentale gezondheid… en dus ook economische krimp of achteruitgang.